Waar in Nederland de universiteit studenten van harte
aanmoedigt om ‘op Erasmus’ te gaan, zetten Poolse of Italiaanse studenten hun
Erasmustijd liever niet op hun cv’s. In Nederland mag een uitwisselingssemester
voor interesse en zelfstandigheid staan, in sommige andere landen staat Erasmus
synoniem voor veel alcoholgebruik en studievertraging. Daarom proberen Poolse
studenten het imago van een exchange-semester
te verbeteren door het te verbinden met een sociale dimensie.
Al in 1988 ontstond het idee om studentenuitwisselingen
tussen verschillende Europese lidstaten aan te moedigen. Ter gelegenheid van
het 900-jarige bestaan van de oudste Europese universiteit, Bologna, tekenden
de Rectores Magnifici van Europese
universiteiten de Magna Charta Universitatum. Hierin pleitten ze voor het mogelijk maken om een
gedeelte van de studie in het buitenland te volgen. Ze vernoemden dit programma
naar de Nederlandse filosoof Erasmus, die bekend is om zijn vele reizen door
Europa met het doel tot nieuwe inzichten te komen. Met het einde van het
millennium in zicht, gingen de universiteiten ervan uit dat ontwikkelingen in de
wetenschap een steeds grotere rol zouden spelen. Daarbij spraken ze de hoop uit
dat hun actie ‘nationale overheden zou inspireren’.
Studenten konden zodoende voor hun studie naar het
buitenland, waar mondjesmaat gebruik van werd gemaakt. Studenten liepen tegen
problemen aan met financiering van zo’n uitwisseling en, eenmaal terug in het thuisland, met het erkend krijgen van de cijfers van de
gevolgde vakken in het buitenland.
Daarom nemen de Ministers van Onderwijs van Duitsland,
Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië in 1998 een grote stap, tien jaar na de
‘inspiratie oproep’ van de Magna Charta Universitatum. Ze grijpen het 800-jarige bestaan van de Franse
Universiteit van Sorbonne aan om de ‘Sorbonne-declaratie’ te tekenen. Dit was
de eerste keer dat nationale overheden zich ook met deze
studentenuitwisselingen bezighielden.
Door: Erik Wallert
Verdergaande Europese plannen werden in 1999 gesmeed, wanneer
dan alle vijftien Europese landen de Bolognaverklaring tekenen. Vooropgesteld
wordt dat Europa niet langer een Europese Unie van de markt en economische
samenwerking is, maar dat ook een
Europese kenniseconomie opgebouwd wordt. De landen besluiten het Europese
onderwijs te harmoniseren, waardoor Erasmusuitwisselingen zullen worden
vergemakkelijkt.
Twee belangrijke doelstellingen zijn het ontwikkelen van een
Europees accreditatiesysteem voor het goedkeuren van vakken, en het creëren van
één Europees onderwijssysteem. Dit laatste werd later bekend als de
bama-structuur: eerst drie of vier jaar een bachelor volgen, daarna een afsluitende
master. De overkoepelende maatregelen in het kader van uitwisselingen worden
Socrates genoemd, dit keer naar de Griekse filosoof.
De Bolognaverklaring
legde extra nadruk op de Europese burger, die in het begin van de jaren
negentig was ‘uitgevonden’. Onder andere de val van de Berlijnse Muur speelt
hierbij een grote rol. Vanaf 1989 is Europa officieel niet meer in tweeën
verdeeld. Toch is er dan nog weinig contact tussen de bevolkingen van West- en
Oost-Europa.
Vanaf midden jaren
negentig worden er echter voorbereidingen getroffen voor de EU-toetreding van
tien voormalige Oostbloklanden: de ‘big bang EU-toetreding’. Om ervoor te
zorgen dat de Europese burgers niet van elkaar vervreemden en om sociale
minimumnormen in Oost-Europa te garanderen, krijgt de Erasmusuitwisseling vanaf
dan meer nadruk. Het grensoverschrijdende contact tussen verschillende
Europese burgers zou namelijk zorgen voor meer wederzijds begrip en kennis van
elkaar. Als bijkomend voordeel werd ervan uitgegaan dat studenten op den duur de
nieuwe bovenklasse zou worden. Daarmee zouden er in feite pro-Europese leiders
worden gekweekt. Zo zei politicoloog Stefan Wolff: “Geef het 15, 20, 25 jaar en
Europa zal bestuurd worden door compleet andere leiders dan vandaag de dag”.
Dit was in de tijd van grote Euroscepsis en onduidelijkheid waar men naartoe
wilde met het Europese project, nadat de gemeenschappelijke markt voltooid leek.
De keuze voor investeren in de burger leek dus een duidelijke stap in de nieuwe
richting.
Het Socratesprogramma, in 2007 vervangen door ‘Leven Lang
Leren’, heeft een aantal voorzieningen voor Erasmusstudenten. Zo zijn er
afspraken over de hoogte van het collegegeld – dat gelijk is aan het
collegegeld van de ‘thuisuniversiteit’ – en zorgt het European Credits
Transfer System (ECTS) voor een
vergemakkelijking van erkenning van studiepunten. Daarnaast verleent de
Europese Unie een beurs om in het levensonderhoud te voorzien. Deze beurs kwam
in 2009 neer op ongeveer 250 euro per maand. Door samenwerkingsverbanden tussen
universiteiten te stimuleren, zouden studenten eenvoudig voor vijf of tien
maanden naar het buitenland kunnen. En tot slot zouden door het aanbieden van
gratis talencursussen de kleinere Europese talen worden gestimuleerd.
Wetenschappers waren aanzienlijk lovend over dit programma.
Welke student zou nou geen gebruik willen maken van dit programma? De lidstaten
deelden deze enthousiaste visie. Als doelstelling stelden ze zichzelf dat in
2012 minimaal 3 procent van alle studenten op uitwisseling zou zijn geweest. De
EU deed hier een schepje bovenop. In 2012 zouden drie miljoen Europeanen
gebruik hebben gemaakt van Erasmus.
Anno 2010 nadert de doelstelling met rasse schreden. Niet
alleen heeft geen enkel Europees land deze 3 procent gehaald, ook de drie miljoen
lijkt nog ver: in twintig jaar tijd gingen bijna 1,9 miljoen studenten op
uitwisseling. Alleen Liechtenstein zit met 45 van de 700 studenten op
uitwisseling ver boven het Europese gemiddelde. Nederland is met 1,01 procent
een goede middenmoter. Overigens zijn de grote lidstaten de populairste
bestemmingen en profiteren de kleinere landen dus niet van de voordelen die de
Europese Commissie had voorzien om de kleine talen te stimuleren.
De
meeste vertrekkende studenten komen uit Spanje, Frankrijk, Duitsland of Polen.
Juist de Poolse studenten werken nu aan een charmeoffensief
om de Erasmusuitwisseling weer in een positief daglicht te krijgen. Een
Erasmusuitwisseling heeft daar onder andere als bijnaam ‘Erasmus-orgasmus’
gekregen door de associaties met losbandige feesten met overmatige
alcoholconsumptie. Om deze beeldvorming te bestrijden is het door studenten
geleide Poolse Erasmus Exchange Student Network (ESN) begonnen met Social
Erasmus: met Erasmusstudenten die meedoen aan
sociale vrijwilligersprojecten. Zo hielp de Poolse delegatie uit Krakau geld in
te zamelen voor Unicef, hielp het arme kinderen aan kerstcadeautjes en is het
bezig een heus Erasmusbos aan te planten.
Ondanks het feit dat
de doelstelling betreft het aantal waarschijnlijk niet gehaald gaat worden,
heeft Erasmus wél een grote rol gehad in de unificatie van het Europese hoger
onderwijs. Op voorhand hebben de lidstaten waarschijnlijk niet voorzien dat het
nationale onderwerp bij uitstek: onderwijs, in deze mate zou vereuropeaniseren toen
zij hun verklaring tekenden. Los van het losbandige imago en de populariteitsproblemen
heeft Erasmus zeker bijgedragen aan het wederzijdse begrip tussen West en Oost.
Daardoor is de Erasmusuitwisseling uiteindelijk zeer belangrijk geweest in het
totale Europese integratieproces.