Geen dier schattiger en grappiger dan de pinguïn. Geen wonder dus dat ze de hoofdrol vertolken in films, zoals Happy Feet, Madagascar, March of the Penguins en Mr. Popper’s penguins met Jim Carrey. Ook in dierentuinen zijn het publiekslievelingen. Nooit afgevraagd waarom ze daar niet op een stuk ijs staan?

De komende zes maanden belicht onbetaald directeur Guido Wassink van World of Wildlife, in de rubriek Verbeter de Wereld, wat hun verschillende wildlife projecten voor bedreigde diersoorten betekenen.

Het zijn voornamelijk de Afrikaanse pinguïns die we in onze dierentuinen zien. Een soort waarvan het aantal drastisch is afgenomen sinds Jan van Riebeeck in 1652 een verversingspost vestigde voor de Nederlandse Verenigde Oost-Indische Compagnie op Kaap de Goede Hoop. Precies het leefgebied van de Afrikaanse pinguïn. Misschien wel mede door ‘onze’ activiteiten daar, wordt deze pinguïnsoort met uitsterven bedreigd.

De meeste van de 19 pinguïnsoorten leven op de zuidpool, maar ze komen ook voor in gebieden hier omheen, zoals het zuiden van Zuid-Amerika, Nieuw Zeeland, Australië en de zuidpunt van Afrika. Als niet-vliegende zeevogelsoort en zich onhandig waggelend voortbewegend is dit zwart-witte dier een aandoenlijke verschijning op het land. Onder water zwemmen ze echter gracieus en zijn het effectieve jagers. Pinguïns hebben veel natuurlijke vijanden. Op het land zijn dat hyena’s, luipaarden en honden en in het water worden ze belaagd door orka’s, zeeluipaarden, pelsrobben en haaien. De grootste natuurlijke bedreiging komt uit de lucht, waar grotere vogelsoorten het voorzien hebben op de pinguïneieren en jonge pinguïns.

De Afrikaanse pinguïn is 45 tot 70 cm groot en leeft rond de Kaap in Zuid-Afrika en een klein stuk langs de kust van Namibië. Ooit waren er circa anderhalf miljoen Afrikaanse pinguïns, maar nu wordt er geschat dat het aantal met ruim 95 procent is gedaald tot 60.000 á 65.000, waarvan 26.000 broedende paartjes. Het laatste decennium gaat het aantal zo snel achteruit dat ze mogelijk binnen 15 jaar uitgestorven zijn. Naast de eerder genoemde vijanden speelt de mens speelt hierin een zeer belangrijke rol.

Bijtanken voor de Kaap
Het vestigen van de Nederlandse nederzetting op Kaap de Goede Hoop staat aan de wieg van de teloorgang van de Afrikaanse pinguïn. De reis richting Indië duurde zo lang, dat er door gebrek aan vers voedsel en drinkwater ziektes zoals scheurbuik uitbraken op de VOC schepen. Door halverwege de tocht een verversingspunt te vestigen, kon er vers voedsel en drinkwater ingeslagen worden. Na de VOC bleef Kaap de Goede Hoop deze functie behouden. Na de industriële revolutie werd het een punt waar de vele schepen op deze route komen tanken. Een functie die het tot op de dag van vandaag in toenemende mate heeft.  

Jaarlijks tanken er duizenden zeeschepen ieder gemiddeld honderdduizenden tot miljoenen liters stookolie voor de kust van Kaapstad. Een beetje knoeien gaat in hoeveelheden van honderden tot duizenden liters stookolie. In 2000 werden er 40.000 Afrikaanse pinguïns getroffen door een ramp waarbij er 400.000 liter stookolie aanspoelde bij Dasseneiland. Gelukkig konden de meeste pinguïns worden gered door de inzet van honderden vrijwilligers.

Pinguïns die door olie vervuild worden kunnen niet meer zwemmen, omdat hun ‘duikerspak’ niet meer waterdicht is. Wanneer ze door honger toch gedwongen worden om het water in te gaan koelen ze enorm af. Bij het poetsen van hun veren worden ze bovendien ook nog eens vergiftigd door de olie op hun lijf. Door ondervoeding en onderkoeling wacht de pinguïn ergens in een verlaten baai een langzame, eenzame dood.

Sleepnetten vegen de zee leeg
Naast het morsen bij het tanken van zeeschepen, heeft de mens nog een invloed op de verhongering van de pinguïns. Pinguïns eten vooral sardines en ansjovis. Deze vissen trekken in grote groepen van de Kaap zuidwaarts richting de kust van Mozambique. De pinguïns jagen effectief in groepen en slikken de gevangen vis in een keer door. Vooral voor de jaarlijkse rui moeten ze flink wat vis eten om hun vetreserve op te bouwen. Tijdens de drie weken durende rui wisselen ze van verenvacht. In deze tijd is hun vacht niet waterdicht, waardoor ze op het strand moeten blijven en dus niets kunnen eten.

Een enorme vloot ansjovis- en sardinevissers sleept met netten de wateren voor de kust van Zuid-Afrika volledig leeg. Jaarlijks wordt hier 100.000 ton sardine 200.000 ton ansjovis gevangen. Bij een gemiddeld gewicht van 150 gram komt dit op een astronomisch aantal van 700 miljard sardines en 1,4 miljard ansjovissen. En dit is alleen nog maar de vangst die gemeld wordt.

Een langzame eenzame dood
Pinguïns hebben meer en meer moeite om voldoende voedsel te vinden. Als de rui start en ze onvoldoende reserves hebben opgebouwd, dan stopt dit natuurlijke proces voordat de rui volledig is afgerond. De vacht van de pinguïn is dan nog niet waterdicht, waardoor ze niet het water in kunnen om eten te vinden. In weer en wind en vaak met bijkomende ziektes als longontsteking en vogelmalaria, staan ze dagenlang op het strand tot ze langzaam sterven. 

Er is gelukkig een aantal organisaties die met olie vervuilde, ondervoede en zieke pinguïns opvangen, zoals Sanccob in Kaapstad en Samrec in Port Elizabeth. Maar juist langs de tussenliggende kustlijn van ruim 800 kilometer neemt het aantal gestrande zieke pinguïns snel toe. Het zijn vooral kleine organisaties, die volledig draaien op vrijwilligers, die zich daar om deze pinguïns bekommeren. Saprec uit Mosselbaai is hier een mooi voorbeeld van. Oprichtster Carol heeft met eigen geld een klein opvangcentrum neergezet op een stuk grond geschonken door een dierenarts. Saprec haalt zieke gestrande pinguïns en andere zeevogels op over een gebied van 200 kilometer lang.

Als er een melding komt, stapt Carol direct in haar auto om de pinguïn of zeevogel op te halen. Met haar team van vrijwilligers verzorgen ze de pinguïns liefdevol. Met de juiste medicijnen en veel verse vis kunnen de meeste pinguïns en zeevogels na een aantal weken weer gezond bij zee worden vrijgelaten. Pinguïns die te verzwakt of gewond zijn geraakt en niet meer terug kunnen, blijven bij Saprec.

Met een team van zes vrijwilligers en een klein budget van minder dan duizend euro per maand is het Carol al gelukt om vele honderden pinguïns en zeevogels weer gezond terug te zetten in het wild. Helaas lijkt het doek voor Saprec op korte termijn na acht jaar van hard werken te gaan vallen. Er komt te weinig geld binnen om de medicijnen en de vis nog langer te kunnen betalen. De oliemaatschappijen en vissersbedrijven uit Mosselbaai die Saprec in het verleden nog weleens gesteund hebben, kijken ernaar en doen niets. Een onthutsende realiteit.