In de reportageserie Portretten van Barcelona schetst Jarron Kamphorst een beeld van de inwoners van de Catalaanse hoofdstad in al hun diversiteit. Van de bakker op de hoek tot de daklozen in de portieken en van restauranthouders tot straatartiesten. Wie zijn ze? Wat doen ze? En hoe kijken ze aan tegen hun eigen stad die onder invloed van het massatoerisme een metamorfose onderging in de laatste twintig jaar. Het verhaal van de gewone stervelingen die elke dag in Barcelona wakker worden en de stad maken tot wie ze is.

#2: Redoan, Restaurateur in Sant Pere
In een steeg waar de huizen zo dicht op elkaar staan dat de drogende was als een gordijn in de buitenlicht fungeert, houdt Redoan zijn Marokkaanse tajine restaurant. In dit gedeelte van de wijk El Born, tussen de winkelstraten Sant Pere Més Baix en Sant Pere Més Alt, heeft zich in de loop der jaren een aantal Marokkaanse winkeliers gevestigd. Ze vormen een hechte gemeenschap. Overdag staan ze allemaal vrolijk rokend in de deuropening van hun zaak. Met een vast gebeitelde glimlach en een lichte buiging begroeten ze iedereen die langsloopt.

Redoan is één van hen. Zijn restaurant is een zaakje waar je zonder op of om kijken aan voorbij loopt. Boven de deur hangt een bord met een moeilijk leesbare tekst en een nog onduidelijkere tekening. Het interieur is kil en doet denken aan de huiskamer van een gepensioneerd stel uit de DDR. Op de tafels liggen witte tafellakens met geborduurde bloemenpatronen en eromheen staan rode anderhalf persoonsstoelen met slijtageplekken. Zoals in wel meer eetgelegenheden onder de Pyreneeën hangen er tl-bakken aan het plafond die de ruimte vullen met fel gelig licht. Halverwege de zaak staat een oude koeling te ronken. De granieten, bespikkelde vloer is die van een jeugdherberg. En de bar is van donker, geïmiteerd eikenhout. Uit een transistorradio achterin het restaurant klinkt Arabische muziek.

Redoan is zijn restaurant pas net begonnen, in augustus vorig jaar. Hij heeft het samen met zijn broers opgeknapt. Vol trots wijst hij naar het industriële bakstenenbehang dat aan de muren is geplakt. Zestien jaar geleden kwam hij naar Barcelona. Hij was toen 23. “Ik kwam hier op een zakenreis en daarna ben ik eigenlijk nooit meer weggegaan. Ik heb onder andere een winkel gehad, in verschillende restaurants gewerkt en nu heb ik dit.” Hij schenkt mierzoete thee in lage glazen uit een berrad, een zilverkleurige Arabische theepot. Hij vertelt op kalme toon en met een lach die zijn mond in de vorm van een vraagteken krult over de stad: “Barcelona heeft mij de kans gegeven om een nieuw bestaan op te bouwen. Daarom respecteer ik de stad.”


Redoan ziet de veranderingen van de afgelopen jaren in de wijk en in de stad als een aanwinst. “De mensen die zich beklagen over het toerisme snap ik niet. Het voegt juist iets toe. Barcelona is altijd een stad geweest die mensen heeft aangetrokken, daarom is ze ook zo rijk en hangt er een respectvolle en open sfeer. De economische ontwikkeling en het toerisme dragen alleen maar bij aan de potentie van de stad en het multiculturele leven.” Vragen over hoge huren en wat hij liever anders zou zien, ontwijkt hij behendig. “Ik zou niets veranderen aan de stad, ik houd niet van het woord veranderen, ik praat liever over toevoegen. Iedereen kan op zijn eigen manier iets toevoegen. Dat probeer ik ook met mijn eten.” Of de zaken goed gaan laat hij eveneens in het midden: “Ik wil mensen blij maken, geld is niet zo belangrijk.”

In de kleine keuken achterin het restaurant maakt Redoan traditionele Marokkaanse gerechten in tajines. Aardenwerken stoofpotten waar in Noord-Afrika veel mee wordt gekookt. “Ik heb leren koken van mijn moeder en tijdens de zomerbaantjes die ik vroeger had aan de kust in Marokko. Het is me met de paplepel ingegoten.” Door het restaurant heen staan verschillende tajines verspreid, samen met een enkele Arabische poster vormen ze de minimalistische decoratie van het zaakje. Tijdens het gesprek loopt er een aantal mensen langs het restaurant, maar als ze naar binnen kijken lopen ze snel weer door. Het is weinig hoopgevend. Redoans optimisme is desalniettemin onverwoestbaar: “De mensen komen vanzelf, Barcelona laat niemand in de steek.”

Terwijl hij nog wat thee inschenkt vertelt Redoan dat hij elke zomer terugkeert naar Marokko. Naar zijn familie. “Natuurlijk mis ik mijn land en mijn familie. Wij mensen zijn als bomen, het is moeilijk om ze van hun wortels te ontdoen, maar we gedijen tegelijkertijd op veel verschillende soorten grond. Barcelona is mijn huidige grond, maar mijn wortels liggen nog altijd in Marokko.” Het is voor het eerst tijdens het gesprek dat zijn glimlach iets inzakt. Hij loopt naar de bar en tovert een stuk cake tevoorschijn, de bovenste laag glanst van de suiker. “Hier, neem, je mag gasten nooit met een lege maag laten vertrekken.”