In de reportageserie Portretten van Barcelona schetst Jarron Kamphorst een beeld van de inwoners van de Catalaanse hoofdstad in al hun diversiteit. Van de bakker op de hoek tot de daklozen in de portieken en van restauranthouders tot straatartiesten. Wie zijn ze? Wat doen ze? En hoe kijken ze aan tegen hun eigen stad die onder invloed van het massatoerisme een metamorfose onderging in de laatste twintig jaar. Het verhaal van de gewone stervelingen die elke dag in Barcelona wakker worden en de stad maken tot wie ze is.

#3: Petanque spelende senioren bij de Arc de Triomf

Op het kruispunt tussen de stadsdelen El Born, Eixample en Sant Martí ligt één van de meest bezochte attracties van Barcelona: de Arc de Triomf. De baksteenrode boog werd in tegenstelling tot veel van zijn tegenhangers in andere landen niet neergezet als symbool voor een militaire triomftocht. Integendeel. Het monument diende als ingang van de wereldtentoonstelling van 1888 die in het verderop gelegen Parc de la Ciutadella plaatsvond. Een onthaalplek voor mensen en culturen van over de hele wereld.

De Arc de Triomf geeft toegang tot de Passeig de Lluís Companys, een brede voetgangerspromenade van koninklijke grandeur met majestueuze Art Noveau lantaarnpalen en hoge palmbomen. De boulevard is een geliefde plek voor velen. Toeristen met selfiesticks, hardlopers met felgekleurde renschoenen, skateboarders met gepiercete gezichten en verliefde stelletjes. In de zomer verkopen Afrikaanse immigranten nagemaakte Louis Vuitton tassen die staan uitgestald op witte doeken. Het is Barcelona op haar breedst, een mengelmoes van alles wat er in de stad rondloopt.

Te midden van de drukte van de promenade, verscholen aan de zijkant, voor de deuren van het Catalaanse hooggerechtshof liggen drie houten zandbakken. Voor de gemiddelde passant lijken de bakken een hondentoilet, maar wie hier ’s middags na etenstijd langsloopt treft er een groep petanque spelende gepensioneerde mannen aan. Ze vormen een harmonieus onderdeel van de omgeving waardoor ze bijna in het decor verloren gaan. De groep mannen komt hier dagelijks.

“Althans bijna elke dag”, vertelt één van de heren. Hij valt op door zijn grote vierkante hoofd met een dikke ronde neus. Hij draagt een arbeiderspet uit de jaren twintig. Langs de zandbak staan metalen constructies die dienstdoen als kapstok in de buitenlucht. Ze hangen vol met hetzelfde soort arbeiderspetjes, wandelstokken, tasjes en een enkele bodywarmer. De meeste mannen dragen gebreide vale truien die de buikjes van het goede leven verbergen.

“Alleen als F.C. Barcelona speelt, komen we hier niet”, vertelt de man. “Of als je weer eens moet nablijven van je vrouw!”, schreeuwt zijn vriend van de zijkant. Hij zit op een bankje naast de zandbak en poetst de metalen ballen met een katoenen zakdoek. Het zilver glimt in het zonlicht. “Laat maar lullen die vent op de reservebank. Hij heeft alleen maar commentaar, maar zelf een balletje gooien kan-ie niet”, grijnst de man terug. Een derde mengt zich in het gesprek. Hij vertelt dat een tijdje geleden de Franse televisie kwam om hier te filmen. “Je kan het terug zien op internet.” Hij heeft iets weg van Obelix door zijn ronde postuur en borstelige snor. Zijn adem ruikt naar koffie en brandy.

Om beurten werpen de heren de ballen het speelveld in. Voor mannen in de zeventig veren ze nog bijzonder soepel omhoog vanuit een half hurkende positie. Af en toe stopt een oplettende toerist om een foto te nemen. Ze vinden het geen enkel probleem om even te poseren. “Vinden de mensen schitterend”, vertelt de Obelix met een vers gedraaid sjekkie onder zijn snor. Aan het toerisme storen de mannen zich niet. “Zie je die stapel stenen daar?”, hij wijst naar de Arc de Triomf achter zich, “dat ding werd ooit gebouwd om iedereen van over de hele wereld te verwelkomen. Waarom zou ik nu dan moeilijk gaan doen als een paar van die grietjes een plaatje wil schieten?” Hij trekt zijn broek op en loopt naar de andere kant van de zandbak om een bal te gooien.

Aan het einde van elk potje trekt de man met de ronde neus een centimeter uit zijn broekzak om te kijken wie er heeft gewonnen. Het gaat gepaard met de nodige discussie en veel gelach. Het is opvallend dat de meesten in het Spaans praten. De heren groeiden op in het Franco-tijdperk toen Catalaans spreken verboden was. Over de onafhankelijkheidsbeweging in Catalonië hoeven ze niet zo nodig te praten. “Soms is het goed niet overal een mening over te hebben”, zegt man met de snor. Terwijl hij terugloopt om een bal te werpen passeert een Frans stel. Of ze een foto mogen nemen. “Mais bien sûr”, hij zet zijn pet af, hangt hem aan de kapstok en stapt weer de zandbak in. Terwijl hij een bal werpt, drukt het Franse meisje af. Op de achtergrond prijkt de roodkleurige Arc de Triomf.