In de reportageserie Portretten van Barcelona schetst Jarron Kamphorst een beeld van de inwoners van de Catalaanse hoofdstad in al hun diversiteit. Van de bakker op de hoek tot de daklozen in de portieken en van restauranthouders tot straatartiesten. Wie zijn ze? Wat doen ze? En hoe kijken ze aan tegen hun eigen stad die onder invloed van het massatoerisme een metamorfose onderging in de laatste twintig jaar. Het verhaal van de gewone stervelingen die elke dag in Barcelona wakker worden en de stad maken tot wie ze is.

#4: Kharima, schrootverzamelaar

“We werken ons de benen onder het lijf vandaan. Het is slavenarbeid.” Het klinkt wrang uit de mond van Kharima, een man uit Gambia. Kharima is 30 jaar, twaalf jaar geleden kwam hij naar Spanje. Op een bootje vanaf de Gambiaanse kust naar de Canarische Eilanden. Hij werkte eerst een tijdje in de bouw in Murcia, totdat de crisis toesloeg en hij uitweek naar Barcelona. Nu staat hij met een winkelkarretje vol metaalschroot voor een loods in de wijk Poblenou.

Poblenou is de voormalige industriewijk van Barcelona die in rap tempo wordt gegentrificeerd. De invasie van bebaarde hipsters weerspiegelt zich in het straatbeeld. Overal duiken chique hotels, pop-up restaurants en milieubewuste koffiebars op. Omwille van het behoud van het cultureel erfgoed blijven veel industriële complexen met klassieke fabrieksschoorstenen staan. Het verleden en het heden doen het hier op organische wijze met elkaar.

Er hangt eenzelfde sfeer in Poblenou als in het voormalige Oost-Berlijn. De charmante verpaupering wordt door creatieve, jonge stedelingen aangegrepen om een nieuw hip sausje over de wijk te gieten. Toch is het niet allemaal rozengeur en maneschijn. Zo getuigt de loods op de Carrer de Joan d'Àustria. Daar is het een komen en gaan van mannen met winkelkarretjes.

Het is een herkenbaar beeld: mannen die midden in de stad winkelwagentjes voortduwen met oud ijzer erin. Boilers, koelkasten, leidingen, lege gasflessen, keukenapparatuur, alles verzamelen ze. De hele stad doorkruisen ze op zoek naar schroot dat mogelijk van waarde kan zijn. Dit alles wordt naar de voormalige industrieloodsen in Poblenou gebracht. “Ze geven ons vijftien euro voor een volle kar”, vertelt Kharima. “Als je mazzel hebt”, voegt hij eraan toe.

Kharima is atletisch, hij heeft een verweerd gezicht met gitzwarte ogen. En hij heeft handen als tennisrackets. “We worden met de nek aangekeken door alles en iedereen. Mensen zien ons over het algemeen niet eens staan. Gelukzoekers zeggen ze wel eens”. Hij klinkt verwoed. “Het enige wat ik zoek is dit”, wijzend naar zijn karretje met een radiator en ander puin. Aan de achterkant bungelt een doffe Dragon Ball Z-tas.

Een aantal van de leegstaande loodsen wordt gebruikt als huis en werkplaats van mannen zoals Kharima. Ze komen veelal uit Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara. Ze leven buiten het systeem om. Sommigen hebben papieren. Het gros heeft helemaal niets. Dikwijls slapen ze met tientallen tegelijk in de grote ruimtes. Heimelijk uiteraard. De lokale regering weet ervan, maar grijpt slechts sporadisch in.

Overdag worden de hangaars omgetoverd tot levendige, clandestiene ijzergroothandels. Het oppikken en verkopen van oud ijzer is eigenlijk verboden. De hallen zijn ingedeeld in secties. Koper, aluminium en ander ijzer liggen apart op stapels in de ruimte. Het is donker en er hangt een roestige, toxische geur die de neus irriteert. Het is een komen en gaan van busjes van schroothandelaren die worden volgeladen met het spul uit de winkelwagentjes van de mannen. Het is de derde wereld binnen de eerste wereld van het kosmopolitische Barcelona. Om de hoek van, en tegelijkertijd mijlen ver verwijderd van, het massatoerisme.

“Ik loop de hele dag door de stad. Op zoek naar ouwe meuk die ik hier kan verkopen. Om te controleren of het wel echt ijzer is heb ik dit bij me”, Kharima haalt een koelkastmagneet uit zijn zak met de tekst I hartje BCN erop. Hij lacht met enig gevoel voor ironie, zij het met een onverminderd verbeten uitdrukking op zijn gezicht. “Er zijn dagen dat ze helemaal niets van me willen kopen, dan moet ik het de volgende dag elders proberen.” De mannen dragen het stigma dat ze zouden stelen als de raven. Desgevraagd zwijgt hij een paar tellen om vervolgens ontsteld te antwoorden: “Wat zou jij doen als je aan het eind van de dag geen eten kunt kopen?”